Optimisme is misdadig!

 

 

Ook in eigen rijen worden wij wel eens getroffen door een onverantwoordelijk optimisme te aanzien van den duur en den afloop van dezen verschrikkelijken oorlog. Er zijn helaas ook bij ons tal van menschen en jonge menschen, die meenen, dat het "nu wel haast afgelooen is". En het grappige is, dat men deze klanken óók bij den tegenstander kan hooren.

 

Nu kunnen wij die onverbeterlijke "anti`s" gerust hun illusies laten. Wij hebben het allang verleerd, ons te ergeren. De gesprekken van de herzenlooze burgermenschen, die elkaar verzekeren, dat het "nu toch wel gauw afgeloopen is" en die waarschijnlijk nooit zullen begrijpen, dat het op datzelfde moment ook met hèn afgeloopen zou zijn, doen ons niet eens, meer medelijdend glimlachen. Die ouwe sukkels zijn nu eenmaal niet wijzer. Laat ze maar in hun vet smoren. Het leven zelf zal hen uit hun verdwazing wakker moeten schudden. En die tijd komst heusch nog wel, daar kan men staat op maken!

 

En dat is het nu juist, jonge kameraden van den Jeugdstorm, waarover wij deze week een ernstig woord met jullie willen spreken. Laten wij toch vooral goed beseffen, dat deze oorlog geen kinderspel is, maar droeve zéér droeve ernst. De geschiedenis van Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen kent oorlogen, waarbij het verliezende volk geheel werd uitgeroeid. De verschrikkingen van dezen bloedigen krijg, die rondom ons en boven ons woedt, zijn dan ook volstrekt niet nieuw in de wereldgeschiedenis. Alleen de middelen zijn "technischer vervolmaakter". Bij een nederlaag van de legers van den Führer zou de geschiedenis zich echter óók herhalen in het feit, dat voor den verliezer geen genade zou gelden.

 

Wij allen kennen de plannen van de bolsjewisten en wij kennen ook de haat, die ons van de overzijde van het Kanaal en den Atlantischen Oceaan tegemoet slaat. Wij weten, wat de vijand voor heeft met het Duitsche volk en wij weten ook. dat achter al deze gruwelijke plannen, achter al dit sadisme, de beestachtige haat en bloeddorst der joden staat. Deze joodsche haat richt zich niet tegen de "nazi", hij richt zich tegen het geheele Duitsche volk. En deze haat zal zich ook niet alleen richten tegen de "ennesbeejers", maar wel degelijk tegen alles wat Germaan is.

 

Als men geen rekening hield met deze joodsche haat en bloeddorst, zou men ook geen verklaring kunnen vinden voor de onmenschelijke wreede "oorlogvoering" der Britsch-Amerikaansche luchtgangsters. Nu wij er echter wèl rekening mede houden,moeten wij ook beseffen, dat het in dezen oorlog tot het uiterste zal gaan. Hier wordt een strijd gestreden tusschen twee doodsvijanden, die geen genade zullen kennen. Op leven en dood. Er op of er onder. Deze strijd zal gevoerd worden tot het bittere einde. En hij zal nóg bloediger en gemeener worden, dan dit tot dusver het geval is geweest.

 

Niemand onzer kan voorspellen wat de naaste toekomst zal brengen. Het is echhter onverantwoordelijk om elkaar en zichzelf in slaap te sussen met de geruststelling, dat de Führer het wel zal opknappen. Als er één ding is, dat wij in het verloop van dezen oorlog wel geleerd hebben, dan is het, de bolsjewistische kolos in het Oosten niet te onderschatten. Elke luchthartigheid op dit punt is zelfbedrog! En ook de luchtaanvallen uit het Westen brengen een ellende teweeg, die niet met woorden te beschrijven is.

 

De oorlog snelt zijn beslissing tegemoet. Dat voelen wij allen. Het is alleen onmogelijk, te voorspellen, wanner de beslissende slag geleverd zal zijn. Sommigen spreken van "drie maanden" Wij echter gelooven, dat wij ons geestelijk moeten voorbereiden op een oorlog die nog wel jaren kan duren. En wij gelooven ook. dat voor ons volk en ons land de zwaarste uren nog zullen komen.

 

Tot dusver blijven wij nog vrij aardig verschoond van de directe oorlogsellende. Dat zal niet altijd zoo kunnen blijven. De voorbereidselen op militair gebied, die reeds sedert geruimen tijd in ons land worden getroffen, zullen zelfs de oude jongejuffrouw, die elken nacht droomt van een landing van Benno van Biesterfeld, aan het denken moeten brengen.
Wij zijn geen koffiedik-kijkers en ook heeft de Engelsche Generale Staf ons geen inzage gegeven in zijn plannen. Maar wij zijn er heilig van overtuigd, dat er voor ons volk tijden zullen komen van de zwaarste beproevingen. Dan zal het er op aan komen, of wij vast in onze schoenen staan. Dan zal ook blijken wie een held is en wie een lafaard. Misschien zullen er dan enkelen in onze rijen bezwijken en hun post verlaten. Maar zéker is, dat honderden, misschien wel duizenden jongens en meisjes, die thans in den geest bij ons vertoeven, dan ook metterdaad aan onze zijde zullen staan! Als het hard tegen hard gaat, zullen velen de schellen van de oogen vallen. Als de strijd tegen het joodsch bolsjewistische beest zijn hoogtepunt bereikt heeft, zullen duizenden plotseling begrijpen, dat ook zij zich dienen te scharen in de germaansche gelederen.

 

Stormers! Als de nood aan den man komt, zullen velen naast ons op de barrikaden staan, waarvan wij het thans niet zouden gelooven. Voor ons is echter de hoofdzaak, dat wij ons geestelijk voorbereiden op den komenden, bitter-zwaren eindstrijd. Optimisme is hier misdadig!

 

Terug