
|
Erfelijkheidswetten
Zo goed als wij de erfelijke gebreken en ziekten niet willen laten voortbestaan in ons volk, zo min wensen wij ongunstige eigenschappen die ontstaan door kruising van mensengroepen, welke niet bij elkaar passen.
Immers, wanneer uiteenlopende planten of diersoorten worden gepaard, passen niet alle paarlingen van de chromosomen bij elkaar. Er gaat aanleg verloren omdat er genen ontbreken of in verminderde porties aanwezig zijn.
Zo gaat het ook bij de mens, wanneer mensenrassen die niet bij elkaar horen worden vermengt. In het nageslacht treden dan door vemindering van erfzuiverheid onvolkomenheden op. Er verschijnen bastaarden, kruisingsproducten van rassen dus, die niet het grootste deel van de chromosomenpaarlingen gelijk hebben. Zij vormen een gevaar voor onze samenleving en horen hier dus ook niet thuis.
Wie tegen de wetten van de erfelijkheid in gaat, verwekt een nageslacht dat een mengeling van erf factoren bezit, die aan de dragers van deze genen, de kinderen en kleinkinderen, tot in verre geslachten, eigenschappen geven die tot verre achterstaan bij die van de ouders. Ofwel geeft hij aanleiding tot het voortplanten van ongewenste eigenschappen gelijk aan erfelijke ziekten en gebreken. Door het verwaarlozen van deze wetten moeten de kinderen de gevolgen dragen van een verkeerde keuze van levensmetgezel/gezellin der ouders dragen! De kennisvan de wetten der erfelijkheid leggen ons dus wel een grote verplichting ten opzichte van ons bloed en ras op.
Onze kennis: onze plicht
Op grond van onze kennis der erfelijkheidswetten hebben wij eerbied voor het leven hier op aarde, zoals dat bestuurd wordt door het wondere, onsterfelijke erfgoed.
Uit onze kennis volgt onze plicht:
Te onderzoeken van wie we afstammen en de verandwoordelijkheid voor wie na en uit ons zullen komen te aanvaarden.
Wij scheppen door onze huwelijken een nieuw geslacht en in dit nieuwe geslacht willen wij de goede aanleg van de beste eigenschappen van onze voorouders bijeenbrengen.
-Tot heil van ons volk!- Uit: het wonder der erfelijkheid, van G.A.M. de Monye.
|