Die Ostlegionen

Als er heden, meer dan een halve eeuw na het einde van de laatste wereldoorlog, in een gesprek over het Oostfront het woord ostlegion wordt uitgesproken, verbinden de meesten daaraan geen echte concrete voorstellingen. Ook het reeds sterk in aantal gekrompen gewezen Wehrmacht- of SS-soldaten zullen dan doorgaans aan de zogenaamde HIWIS terugdenken. Deze HIWIS (hilfswillige) waren meestal Sovjet-krijgsgevangenen maar ook burgers, die in steeds groter aantal de trots van de Duitse troepen aanvulden en meestal als schoenmaker, paardenverpleger, koetsier of munitiedrager werden aangesteld.

 

En meestal droegen zij ook nog Duitse uniformen, uiteraard zonder rang- of troepenteken. Soms waren zij zo onontbeerlijk dat zij zelfs wachtdienst klopten! Meestal werd het begrip Ostlegionen in verbinding gebracht met het Vlassof-leger of met het Kozakken-kavelariekorps van generaal-luitenant von Pannwitz (1898-1947). Zulk een gebrek aan kennis was eigenlijk weinig verwonderlijk daar de meeste Duitse soldaten ook diegenen die van in het begin aan de gevechten van de Operatie Barbarossa deelnamen nog nooit of zelden iets gehoord hadden van Ostlegionen en nog minder persoonlijk contact met dezen hadden gehad.

 

Deze bijna algemene onwetendheid is voornamelijk de schuld van twee verwarrende begrippen : Osttruppen en Ostlegionen.

 

Met de naam Osttruppen werd verstaan al de sovjet-krijgsgevangenen van Russisch etnische afkomst. Voor deze eenheden werd de vroegere in Moskou geboren Duitse militairattache in de Sovjet-Unie, generaal der kavalerie Ernst Koestring, bevoegd. In tegenstelling met de aanduiding Osttruppen bepaald het begrip Ostlegionen de niet Russische minderheden.

 

Zij stonden onder toezicht van het Kommando der ostlegionen, met als zetel RADOM (generaalgouvernement). Voor deze eenheden was de vroegere helper van generaal Koestring, generaal-luitenant Ralph von Heygendorf, bevoegd. Deze Ostlegionen waren strijders voor de vrijheid van hun Heimat van de bolsjewisten en voor de vrijheid van hun geloof (de Islam). Er werd de nadruk op gelegd dat de legionairs geen soldeniers waren maar wel degelijk wapenbroeders van de Wehrmachtsoldaten. De opbouw werd energiek en doelbewust aangepakt, zodat in korte tijd de Ostlegionen een sterkte hadden van ongeveer 250.000, inbegrepen 3.000 man Duits kaderpersoneel. De bewapening van deze Ostlegionen-battellions bestond uit 270 stuks geschut, 2970 lichte en zware granaatwerpers, 4350 lcihte en zware machinegeweren en rond de 90.000 handvuurwapens. De verliezen van deze oostvolkeren werden op meer dan 50.000 etnische turken en meer dan 50.000 etnische kaukassiers geschat.

 

De opstelling en indeling van de Ostlegionen bestond uit :

 

Georgische Legion : 12 bateljons 

 

Armenische Legionen : 11 bataljons

 

Nordkaukasische Legion : 8 Bateljons

 

Aserbeidschanische Legion : 16 Bateljons 

 

Wolgatartarische Legion : 10 Bateljons

 

In het totaal 57 bateljons.

 

 

Dienovereenkomstig hield hij steeds contact met de Ostlegionen van het Oostfront. Langs Duitse zijde waren majoor Mayer-Mader en eerste Luitenant Professor Oberlander (1908-1998), de latere Bondsminister voor verdrevenen onder het kabinet Adenauer, gelast met de oprichting van de Oostelijk-Aziatische eenheden. In Oktober 1941 werd de gevechtseenheid Abwehrunternehmen Tiger B opgesteld, bestaande uit 1 Tartaarse en 6 turkestaanse compangies.

 

Professor Oberlander wilde geschikte krijgsgevangenen uit de Kaukasische volkeren de kans geven aan de bevrijding van hun vaderland van het Bolsjewisme mee te werken. In de winter van 1942/1943 bracht hij de eenheden op regimentssterkte. De grondslag voor Majoor Mayer-Maders werkzaamheid was de opdracht van het opperbevel van het reserveleger in het generaalgouvernement om de opstelling van een Kaukasisch-mohamedaans legioen. Majoor Mayer-Mader werd bevelhebber van het Deutsche Aufstellungsstabes benoemd. In het gezelschap van de Kirchiez Sulimanov, een gewezen krijgsgevangen officier van het Rode leger, bezocht hij de krijgsgevangenenkampen in het generaal gouvernement en voerde lange gesprekken met kaukasische gevangenen.

 

Hij sprak over het Sovjet systeem, de verdrukking, de vervolgingen, de onteigeningen en de godsdienstvrijheid. Na de persoonlijke gesprekken, die in de moedertaal werden gevoerd, vormde majoor Mayer-Mader een uitgezochte troep bijeen. Daarbij kwamen zijn kwaliteiten om met Kaukasisch Turkse volkeren om te gaan, hun vertrouwen te winnen en hen in hun eigen taal te woord te staan, ten goede. Na de verplichting om als vrijwilliger aan de zijde van de Wehrmacht voor een vrij Turkestan te strijden, werden zij in het lager Rembertouw in compagnies ingedeeld. Ze kregen Duitse uniformen met bijzondere rangtekens en een ovaal armteken met daarop een moskee met het opschrift Biz Allah Bilen. Het eerste bataljon van het Turkestanisch Legion, met het nummer 450, was ingedeeld in: staf, een compagnie Kirchiezen, een compagnie Oesbeken, een compagnie Kazachen en een compagnie Turkmenen, aangevuld met een sectie granaatwerpers. Majoor Mayer-Mader was een charismatische maar eigenwillige ondergeschikte. Hij was eveneens een persoonlijkheid met soms utopische doelstellingen. Een van zijn plannen was om vastberaden anti-Sovjetische Turkestaanse vrijwilligers met vliegtuigen ver achter de vijandelijke achterlinies af te zetten, met de bedoeling om in het Aziatische deel van de Sovjet-unie opstanden uit te lokken. Zijn grote voorbeeld was de Baltenduitse tsaristengeneraal Roman Fjodorowitsj, Freiherr von Ungern-Sternberg ( 1885-1921), die tijdens de bolsjewistische revolutie in 1921 in Oost-Siberie« een onafhankelijke Mongoolse regering proclameerde, maar na de nederlaag van de Witten in 1921 in Novosibirsk werd gefusilleerd.

 


 

Als bevelhebber van het Turkestanisch Legion was majoor Mayer-Mader nauwer verbonden met de Turkestaanse officieren dan met zijn Duitse collegas. Zijn Adjudant Sulimanov benoemde hij eigenmachtig tot luitenant van de Wehrmacht zonder er het legerpersoneelbeambt in te kennen. Na een mislukte en voorbarige inzet van zijn Turkestanische Infanterie Batiallon 450 werd de majoor van zijn post ontheven. Einde 1943 vond hij echter een gelijksoortige opgave nadat de Rijksfuhrer der SS Heinrich Himmler zijn interesse had getoond om de voormalige Turkestaanse Roodarmisten in de sterk geslonken Waffen-SS eenheden aan te vullen.

 

Als Obersturmbahnnfuhrer werd de voormalige majoor belast met de opbouw van het Ostmuselmanischen SS Freiwillige-Division, waarbij zijn vertrouwde adjudant Sulimanov terzijde stond; ditmaal als SS-Haubtsturmfuhrer. Ook hierbij waren de methoden van de gewezen majoor onkonventioneel. Een bericht van de Wehrmachtbevelhebber in het generaalgouvernement luidde :

 

De voormalige majoor Mayer-Mader tracht zogenaamd op last van de reichsfuhrer-SS manschappen van de Ostlegionen tot desertie aan te sporen. Mayer-Mader is derhalve desnoods door wapengeweld aan te houden en naar de dichtstbijzijnde Wehrmachtkommandatuur over te dragen.

 

De oorzaak van dit wehrmachtbevel was het feit dat Mayder-Mader en Sulimanov aan het station van Warschau volksturkische vrijwilligers aanspraken die van de officierleergangen naar hun troepenonderdelen terug keerden. In de moederspraak van de aangesprokenen verklaarde de beide ronselaars dat zij bij de Waffen-SS betere vooruitzichten zouden hebben dan bij de Wehrmacht. Als de aangesprokenen positief op het aanbod reageerden, bekwamen zij nieuwe marsbevelen voor het verzamelkamp voor de toekomstige manschappen van het 1ste Ostmusulmanisch-Freiwilligen-Division der Waffen-SS Tot de sterkte van een divisie zou de eenheid nooit komen. Het aanhoudingsbevel tegen majoor Mayer-Mader strandde echter in de burelen van de hogere SS-Stabes. Tijdens een inzet van zijn Ostlegionen kwam Mayer-Mader in niet opgehelderde omstandigheden om het leven.

 

Door een Himmler-Bevel van de 2de Mei 1944 werd in navolging van de overleden majoor de SS-Standartenfuhrer Harun-Al-Rashid-Bey de opleiding van een Turkestaanse divisie in Waffen-SS verband toevertrouwd. In werkelijkheid was de standartenfuhrer een tot de Islam bekeerde Duitser met de naam Wilhelm Hintersatz uit Seftenberg/Lauritz. De veldbataljons van de Ostlegionen werden vooral tegen Sovjetpartizanen ingezet en voor de beveiliging van transporten. Zoals bijvoorbeeld het Wolga-Tartaarse infanteriebataljon 828 dat instond voor de beveiliging van de olievelden in oost-Gallicia« (Oekraine). Doorgaans bewezen zij hun mannetje te staan, vooral toen de Duitsers nog zegzekerder waren.

 

Door een Hitler-Erlas van de 14 juli 1942 werd speciaal voor de manschappen van de Ostvolker een dapperheidsmedaille ingevoerd. Het was trouwens de enige Duitse oorlogsorde (1939-1945) zonder hankenkruis! Op bijna een totaal van 750.000 vrijwilligers (vlassovtroepen, Kozakken, Hiwis, en Ostlegionen) kwam het tot 100.000 uitreikingen van dit speciaal Ostvolker-ordens. Nochtans als na de kapitulatie van het Duitse 6de leger in Stalingrad de krijgskansen keerden en het initiatief van handelen overging naar de Sovjets, begrepen de Aziaat-Turkse vrijwilligers dat zij geen kans meer maakten om met Duitse hulp als bevrijder terug te keren naar hun vaderland. Daarmee verdween dan ook hun vechtlust.

 

Het volgende gebeuren in de Wolga-Tartarisch-Infanterie-Batallion 828 is er een voorbeeld van. De dienstoverste van de stafcompagnie, de Tartaar Kolzov, verzamelde op een nachtelijke inspectietocht zijn hele compangnie manschappen bijeen en liep met hen over naar de Sovjetstellingen. Achteraf vernomen is het hem en zijn manschappen slecht bekomen. Enkele uren later werden zij door de Sovjets terechtgesteld als deserteurs. Dit had tot het gevolg dat het ganse 828-batallion ontwapend werd en tot werkbatallion verder achter de frontlinies werd geplaatst. Zo verging het ook nog andere Ostbatallione.

 

Sommige van deze bataljons werden in 1944 naar Frankrijk verscheept om daar een halt toe te roepen. In verscheidene eenheden kwam het zelfs tot muiterij. Zo kwam op het Nederlandse eiland Texel het Georgisch-Infanterie-Batallion 822 in 1945 in opstand. Daar werd een groot deel van het Duits kaderpersoneel vermoord. Globaal kan men stellen dat de Ostlegionen nergens een beslissende overwinning hebben kunnen afdwingen.

 

Met deze bijdrage over de Ostlegionen werd getracht een tot nu toe bijna ongekend randverschijnsel uit de tweede wereldoorlog onder de aandacht te brengen.

 

Terug