Een en ander over ras

Door: J.C. Nachenius

http://www.nationaalsocialisme.com/eenenanderoverras.html


Kamp-serie
Uitgegeven door de uitgeverij ‘de delta’ Den Haag

 

Lezing uigesproken door J.C. Nachenius op het eerste zomerkamp voor journalisten. Kasteel Cannenburgh Vaassen op 18 juni 1941

 

 

Een journalist moet eigenlijk van alles op de hoogte zijn, wat zijn tijd in beroering brengt en er zijn weinig dingen, die dit thans zo zeer doen als het rassenvraagstuk. Hij moet er daarom iets van weten. U weet, niet alle mensen beoordelen dit vraagstuk op dezelfde wijze, niet alle mensen geven op vraagen hetzelfde antwoord. Hoe ik er tegenover staat weet ik niet. Ik wil trachten te laten zien, hie ik als nationaal-socialist er tegenover sta. De gedachtewisseling zal dan allicht vruchtbaarder en levendiger zijn, dan wanneer ik droog en abstract naast een mening ga plaatsen.

 

I. Ras is voor ons voor en boven alles iets, dat wij beleven en eerst in de tweede plaats iets, dat wij met ons verstand ontleden en trachten te begrijpen. Maar dat is niet een bijzonderheid van ons, of een bijzonderheid van het rassenvraagstuk; dit geld op vele gebieden voor ons allen. Gaat op het gebied van religie het beleven niet aan de theologie vooraf, is het beleven hier dat, waar het eigenlijk op aankomt, wil het niet tot dode letter worden? En voor wie zou kunst niet allereerst een belevenis zijn? Natuurlijk kan de ontleding van een muziekwerk ons beleven nog weer helpen verdiepen (het kan ons ook helpen verdringen!). Zo zijn talloze dingen belevenis zonder meer: liefde, trouw, eer en wij vragen niet naar het waarom. Het is daarom niet iets bijzonders of verwonderlijks wanneer ik op het gebied van de rassenkunde nu ook eens van het beleven uitga in plaats van met het begrijpen, dat bovendien nog zo jong is, te beginnen.

 

Ik zet u in zuid-west Afrika aan land. Daar, in die zandwoestenijen van de kuststrook komt een troepje dwergmensen aan: kleine mannetjes en vrouwtjes, die vreemde geluiden en klanken uitstoten, en die ons zo vreemd zijn, dat wij er vooreerst eigenlijk niets menselijks in zien, dat wij er geen menselijk contact mee hebben. En zij niet met ons. Daar in dat vreemde werelddeel, waar elke plant en elk dier ons onbekend is, daar voelen wij ineens schril en sterk, dat er ook ‘mensen’ zijn, waarmee wij geen contact kunnen krijgen. Wij beleven ons anders zijn, wij beleven rasverschil. Wij kunnen ook dichter bij huis blijven. Ik zet u temidden van ‘zuiderlingen’,van mensen van het zgn. Middelandse zee ras, op de tribunes van een arena, waar een stierengevecht zich voor u uitspeelt. Het verschil is kleiner, het zijn zeker mensen, donkere europeanen. Maar tochm hoe anders zijn hun hartstochten, hoe anders is hun wereld hun innerlijk en hun uiterlijk, wanneer u daar zittend, denkt aan bijvoorbeeld een veemarkt in Groningen. Ik zou op deze manier kunnen voortgaan. Ik kan u plotseling tussen echte joden zetten. Ze spreken uw taal, ze dragen uw soort kleren, zij noemen zich Nederlanders, maar ze zijn anders, al woonden ze hier al vele geslachten achtereen. Hoe uitgesprokener uzelf een bepaald type bent, tot een bepaald ras behoord, hoe directer en zuiverder u zich bewust wordt van uw anders zijn.


Zo, en niet anders, is ras beleefd door de eeuwen heen.

 

Dat is een werkelijkheid, en geen verbeelding. Dat is iets dat leeft in heel de wereld van het levende, bij dier en mens; het is een van de grondbeginselen der orde om ons heen, dat alle leven zich uit in rasgebondenheid. Of kent u soms groepen van levende wezens, waar alles van nature in veelvormigheid dooreenleeft? Integendeel. U kent allen de berk en weet vermoedelijk niet eens dat er in ons land twee soorten berken bestaan: de berk van droge gronden, waarvan het hout kaal is, en de jonge twijgen vooral in het voorjaar met die grijs-witte wratjes bezet zijn. En de berk van vochtige gronden, die behaard is. Op standplaatsen waar de levensvoorwaarden in elkaar overgaan (drogende vennen b.v.) komen ze door elkaar voor, en een enkele maal komen ook bastaarden voor. Maar beide soorten houden stand, de zogenaamde bastaarden beheersen het terrein niet. En waar, zoals bij wilgen wel veel variëteiten en tussenvormen voorkomen, ook daar houden de uitgangssoorten stand. Alle leven is rasgebonden, en zo kan het ons dan toch niet bevreemden, dat de mens, die als geestelijk-lichamelijk wezen het “beleven” heeft gekregen, deze rasgebondenheid nu ook beleeft.

 

II. Hoe komt het echter, dat er mensen zijn die dit beleven verloren schijnen te hebben (ook onder u?), die zich niet meer aan ras gebonden achten? Ook in de natuur komt het voor, dat naverwante rassen kruisen; meestal gaan de dan ontstane bastaarden weer te gronden, wij kunnen er hier niet dieper op ingaan, maar waar de mens door de cultuur en de beschaving een minder natuurlijke levenswijze gaat volgen, gedomesticeerd wordt, daar komen kruisingen veelvuldiger voor en gaan niet te gronden. De bastaarden van allerlei schakering overbruggen als het ware de grote gaping tussen twee rassen bestond en langzaam aan beginnen die rassen in elkaar te vloeien. Havensteden en de stad in het algemeen werken dit overal in de hand. Waar de mens nog sterk aan de natuur en overlevering gebonden is, komt niet voor. En dan wordt rasvermening sterk bevorderd door leusen als: ‘alle mensen zijn gelijk’. Wij weten zonder meer dat alle mensen ongelijk zijn, naar uiterlijk, naar aanleg, naar karakter enz. Ook naar erfelijke aanleg, naar hun ras. Wij beleven het aan onszelf. Maar een door en door verbasterd individu, de kruising van meerdere ver uiteenlopende rassen, beleeft dat niet, kan dat zelfs niet beleven, want hij is van geen ras; ook heeft niet een ras in zijn wezen sterk de overhand. Hoe zuiverder van ras een mens is, hoe sterker hij het zal beleven. Wij begrijpen dat in een bastaardbevolking de leus “alle mensen zijn gelijk” veel eerder weerklank vindt en dit is ook door de eeuwen zoo geweest. Deze leusen vertroebelen dan vaak het rasbewustzijn van hen, die nog zuiver zijn en zo begint de rassenvermenging en neemt steeds een grotere omvang aan. Daar deze leuzen, die kenmerkend zijn voor democratische stromingen in de oudheid en in de moderne tijd, ook Europa beheersen, is het noodzakelijk ten sterkste de nadruk te leggen op de ongelijkheid der mensen, en mensenrassen.

 

III. Maar nu stelt u wellicht reeds in uzelf de vraag, waarom? Brengt rassenvermenging dan gevaren mee? Wij, en ik spreek dan als nationaal-socialist, wij zeggen zonder meer: ja. Wij spreken dit oordeel vanuit ons gevoel, instinctmatig... en dan weet ik, dat er onder u zullen zijn, die denken”dat is nu juist zo gevaarlijk; die oncontroleerbare instincten moeten wij in bedwang houden en leiden. Maar dan antwoorden wij dit: zeker, de mens is geen dier, dat alleen bij instinct leeft, maar de mens is ook geen wezen, dat alleen leeft door het denken en het verstand geleid wordt. Weet u niet, welk een onmisbare, beheersende rol het onbewuste speelt bij alle scheppingsvermogen en voortbrengselen van hoge cultuur? Alle ware kunst komt uit de sfeer van het onbewuste. Niet het beredenerende verstand is scheppend, maar het zijn juist die andere elementen in ons organisme, doie de hogere waarden voortbrengen. Zelfs in de wetenschap! Ook daar zijn alle waarlijk vruchtbare nieuwe ideeën en vindingen niet ‘bedacht’, maar inuïtief “gevonden”. Zo kennen wij het inuïtieve, of hoe u het noemen wilt, de uit het onbewuste voorkomende dingen, het beleven, een grotere betekenis toe dan aan het verstandelijke. Wanneer dat de overhand krijgt, vervallen wij in “interlectualisme” zonder scheppingskracht.

 

Maar nu wil ik geenszins in eenzijdigheid vervallen; alle functies van ons organisme moeten wij vollop tot hun recht laten komen, echter elk op zijn plaats. Wanneer ik het beleven voorop stel, dan doe ik dat naar ik meen terecht, want het is primair. Het vragen naar het waarom is secundair; het is het verstand dat dit doet en al doende ontstaat bij ons (bij de germaanse mens, want dit is niet overal zo!) uit dit vragen het systematisch vragen en het experiment, m.a.w. wetenschap. Wat wij onbewust reeds aanvoelden, willen wij nu ook verstandelijk begrijpen en ontleden. De vraag is dus nu, welke gegevens verstrekt de wetenschap om ons standpunt te rechtvaardigen. ‘De’ wetenschap? Nee, een hele reeks van wetenschappen komen er bij te pas. Deze wetenschappen zijn nog alle zeer jong en het is daarom zonder meer duidelijk, dat zij onvolledig zijn, afgezien nog daarvan dat wetenschap nooit uitgepraat is, nooit klaar is. Welke wetenschappen zijn het zoal? Een van de eersten, die tot ons inzicht in rasproblemen heeft bijgedragen, was de vergelijkende taalwetenschap en wat daar allemaal bij kwam (denk aan de gebroeders Grimm) ; deze is nog niet zo oud, zoals u weet en toch is zij de oudste in de reeks. Dan moeten wij de oudheidkunde, de wetenschap der spade, noemen. Als echte wetenschap, die systematisch te werk gaat met allerlei vernuftige en verfijnde methoden (in tegenstelling met het verzamelen van merkwaardigheden), is zij zeer jong. Aardkunde, bodemonderzoek, plantenkunde (stuifmeel-analyse), dierkunde (huisdieren) enz. komen er bij te pas. En dan de nieuwe biologie en erfelijkheidsleer die tot geheel zelfstandige takken van wetenschap zijn uitgegroeit; en deze weer in verband met cultuurgeschiedenis. Want u moet begrijpen, dat de vraagstukken die ons hier bezig houden, nooit door een enkele wetenschap tot oplossing gebracht kunnen worden. Het is juist de samenwerking van al deze wetenschappen, die tot hoge mate van waarschijnlijkheid levert, die tot zekerheid kan worden. U ziet, ik laat deze kant van ons wezen, de verstandelijke, eventueel tot zijn recht komen. In het kort zal ik hier wat over vertellen.

 

1. Wanneer naverwante rassen kruisen, ontstaan er verschillende combinaties, zelfs in vaste, vooruit te berekenen verhoudingen. Wanneer wij nu deze z.g. bastaarden in leven houden en zich laten voortplanten, krijgen wij geen nieuw ras, maar een bastaardbevolking, waarin alle mogelijke tussenvormen in bepaalde verhoudingen, steeds weer optreden. (Om dat te begrijpen, zou u de wetten der erfelijkheid moeten kennen.

 

2. Wanneer een bepaalde combinatie echter gedurende een lange reeks van geslachten uitgezift wordt (geselecteerd), kan op deze wijze een nieuw ras ontstaan.

 

3. Deze ziftende werking kan de natuur, het klimaat, de bodem, enz. uitoefenen en wij vermoeden, dat zo de mensenrassen zijn ontstaan (ook de z.g. mutaties zullen daarbij een rol hebben gespeeld). Wanneer het landschap met zijn klimaat op deze wijze een nieuw ras doet ontstaan, is dit ras tevens aan dat landschap aangepast. Op deze wijze horen bloed (d.i. ras) en bodem bijeen.

 

4. Van het z.g. Noordras kunnen wij dit proces aan de hand van de vondsten volgen. Dit wordings proces was afgesloten aan het eind van de z.g. midden-steentijd en vond plaats in midden en noordwest Europa. Dit Noordras onderscheidde zich van toen af van de omringende culturen, doordat het van het ‘verzamelstadium’ naar boerendom overging. Op cultureel gebied ging het vanaf de jong-steentijd een eigen weg, die scherp afsteekt tegen alles wat het omringt in oost en zuid, vooral herkenbaar aan de sierkunst, maar spoedig ook aan huisbouw, mythe, religie, recht en dan ook de taal. Deze cultuur (de ‘oer-indogermaanse’), vormt een eenheid, voortgekomen uit eenzelfde ‘stijl’, op dezelfde bodem. Deze eenheid van het cultuurbeeld denken wij ons gebonden aan dat ras, en wij zien ook, hoe dit ras, wanneer het tegen de bronstijd gaat trekken en in volken uiteenvalt, deze cultuur overal heendraagt (Perzië, Indië, Midden-China, Griekenland, Italië). In de veroverde gebieden ondergaat die cultuur vreemde invloeden en ontstaan zelfstandige culturen, waarvan toch de verwantschap ons steeds duidelijker wordt, naarmate wij er meer in doordringen.

 

5. Wij zien ook, dat het Noordras op de vreemde bodem, heersend over vreemd ras, na eeuwen van bloei, aan de ene kant zich begon te vermengen en aan de andere kant aan kinderarmoede ten onder ging. Het kon op den duur niet stand houden: de vreemde bodem hoorde aan ander bloed, en cultuur vegeteerde voort, maar schiep geen nieuwe waarden meer. Alleen in het oude kernland hield ras stand. Hier ontstond van af de bronstijd de Germaanse cultuur (een tak van de indogermaanse) en deze bloeit nog (hierbij moet de lezer in acht nemen dat de originele tekst in de jaren ’40 geschreven zijn).

 

6. Daar ras en cultuur een eenheid vormen, daar een bepaald ras onze Germaanse cultuur schiep en voortbouwde, kan ook alleen datzelfde ras deze cultuur verder ontplooien en er de de vormen voor vinden, die zij in de komende tijd zal aannemen. Daarom moet rasvermenging worden tegengegaan, want overal waar dit ras zich mengde, ging de cultuur ten onder, vroeg of laat. Daarom geen vermenging met joden en andere buiten-Europese rassen; ook niet met Slavische volken, of de Zuidelijke van het Middellandse Zee gebied.

 

Ik heb in deze 6 punten zo langzamerhand een heleboel ‘beweerd’ en niets ‘bewezen’. Nu wil ik u dadelijk zeggen, dat op dit gebied de dingen niet met mathemetische zekerheid te bewijzen zijn. Onderdelen kunnen worden aangetoond en het grote geheel, de grote lijn kunnen wij aannemelijk maken. Tot dit aannemelijk maken behoort oneindig veel detailstudie op het gebied van oudheidkunde en menskunde, aardkunde enz. niet waar? De verbreiding van, laten we zeggen, de oer-indogermaanse cultuur moet aan vondsten worden vastgesteld in de opeenvolgende tijdvakken. Daar, waar de oudste vormen voorkomen, daar lag het uitstralingsgebied. Daar moeten wij dus ook dat mensenras aantreffen en in dien tijd niet ook nog elders. Uit het bestaan van gemeenschappelijke woorden in de latere indogermaanse talen, kunnen wij afleiden , dat die woorden in de Indogermaanse oertaal aanwezig waren; o.a. woorden, die omtrent landschap, dieren en planten wereld iets zeggen. B.v. de honingdrank (de bij komt in Azië niet voor). Al deze dingen moeten licht werpen op de vraag naar het oorsprongsland en later naar de gebieden, waarheen dit ras trok. Mythologische voorstellingen die alleen in het Noorden zin hebben, kunnen niet in Zuid-Azië zijn ontstaan. En wanneer bijvoorbeeld in Griekenland de kenmerkende sierkunst der Dipylonvazen met de lijkverbranding en het Megaronhuis door binnendringende veroveraars uit het noorden worden gebracht, dan begrijpen wij dat deze mensen overwegend tot het Noordras behoorden, ook al bezitten wij door de lijkverbranding geen lichaamsresten. En dat blijkt dan ook weer: hen goden zijn blond en blank als hun helden en zij hebben ze later ook zo uitgebeeld. Of wanneer de trekwegen van de vroegste Italikers vervolgd kunnen worden van uit hun gebied ten noorden van de Alpen en wij horen van rechtsvormen en godsdienstige feesten, die verband houden met Germaanse, dan begrijpen wij, dat die mensen ook weer tot dat Noordras behoren en hun Indogermaanse cultuur en taal uit midden Europa meebrachten. Zo ontvouwt zich ons een rijk beeld en elk jaar wordt meer materiaal gevonden, dat dit beeld verder vervolmaakt en tot een kleurige mozaiek vormt. Wij zien reeds de grote lijnen, al ontbreken er nog zoveel steentjes. Wie ras sterk beleeft, wie het in zich voelt, wie de weerklank kent, die zal dit beeld vanzelfsprekend vinden. En wanneer hij bovendien de biologische wetten der erfelijkheid kent en doordrongen is van het nauwe verband tussen ras en cultuur, dan zal hij terwille van de cultuur ijveren door de instandhouding van zijn ras. Hij zal ook inzien, dat dit ras, zo klein in aantal, in het noord-westen van ons kleine Europa een sterk aaneengesloten macht zal moeten worden, om weerstand te kunnen bieden aan het opdringen van ander ras en zich in stand te houden. Hij zal....

 

Er is nog zoveel waar wij over zouden kunnen praten, er zijn ook veel onopgeloste vraagstukken op dit gebied, maar de grote lijn tekend zich duidelijk af. Wie er meer van wilw eten moet zelf studeren en bovenal, moeten leren zien, om deze tijd te begrijpen en te beleven.

 

Op een ding wil ik nog wijzen, op de erfgezondheidsleer (eugenetica). Wij, nationaal-socialisten, willen uit wat de geschiedenis en biologie ons leert, ook de practische consequenties trekken. Wanneer wij zien, hoe ons ras overal te gronden ging aan verbastering en geboortetekort na tijden van gezonde bloei, dan willen wij niet dat de laatste reserves van dit ras hier in het oude kernland diezelfde weg gaan. Wij willen, het erfelijk zieke en asociale van de voortplanting uitsluiten (de natuur kan het ook voor ons ‘dank’ zij de beschaving, niet meer doen). Wij willen ook de verbastering met vreemd ras verhinderen. Maar wij willen daarenboven, het ras hoger opvoeren, wij willen dat de beste elementen naar lichaam en geest zich sterker zullen voortplanten dan de rest. Dit is door allerlei wetgeving te bevorderen, maar door het opstellen van een voorbeeld (te vergelijken met een fok-ideaal van een fokker) en door het vormen van uitgelezen sibben zoals dit door Darré en Himmler werdt nagestreeft bij erfhoeveboeren en in de SS.

 

J.C. Nachenius
 

Terug